Het vouwen van papier gaat namelijk makkelijk en goed als dit gebeurt op de looprichting. Maar ertegenin vouwen kan bij bepaalde papiersoorten tot een rafelige vouw leiden. In zo'n geval kan het papier beter eerst geritst worden.Daarnaast is de dikte en transparantie van papier belangrijk.
De dikte bepaalt niet alleen de drukmogelijkheden, maar heeft ook invloed op de bindwijze. Hoe dikker het papier, hoe minder vellen er in een katern gaan.
Een katern is een aantal in elkaar geschoven en gevouwen vellen papier.
Soms ontstaat het katern door het vouwen en snijden van één vel papier volgens een zgn. inslagschema en vouwmodel (zie voor het inslagschema de afbeelding naast).
Erg dik papier kan beter eerst geritst worden. Karton zou in een ringband geplaatst kunnen worden.
In Japan werd vroeger gedrukt op zeer dun transparant papier. De vellen werden dan ook dubbel gevouwen gebruikt. Deze methode had tevens zeer aparte afbeeldingen en bladspiegel tot gevolg.
Papier heeft vaak een goede en minder goede kant, zodat soms gekozen wordt voor het gebruik en bedrukken van één kant. Soms worden afbeeldingen op papier geplakt. Om het boek goed in de rug te laten blijven wordt dan een speciale bindmethode met éénzijdig papier gebruikt. Ook is het mogelijk om papier dat eenzijdig gebruikt is, dubbel te vouwen voor het binden, zoals bij dun Japans papier wel gebruikelijk is. Maar het kan ook een keus van de ontwerper zijn om uit esthetisch oogpunt slechts één kant van het papier te gebruiken.
Van belang is ook de zgn. blad- en zet-spiegel. De zetspiegel is het gedeelte van het papier dat bedrukt wordt; waarbinnen alles geplaatst wordt. De bladspiegel bepaalt het uiteindelijke schoongesneden resultaat.
Niet altijd wordt er schoongesneden. Denk maar aan papier met schepranden of dubbelgevouwen papier. Maar als er met katernen gewerkt wordt, of bij aflopende illustraties, wordt het uiteindelijke boek schoongesneden, nadat het al gebonden is. Alleen het omslag wordt eventueel later nog aangebracht.
Voor het schoonsnijden moet rekening gehouden worden met minstens 5 millimeter snijruimte. Dus ook een aflopende illustratie moet 5 mm. over de bladspiegel vallen.
Om de juiste volgorde te bepalen van een boek dat bedrukt is wordt er meestal een zgn. vouwmodel of inslagschema gemaakt. Door een vel papier meerdere malen dubbel te vouwen en de bladen vervolgens te numeren, wordt duidelijk hoe de verschillende baldzijden op de 2 zijden van een groot vel papier geplaatst moeten worden.
Houdt ook hierbij rekening met een aflopende rand die schoongesneden wordt.
Het is mogelijk om dit in de rug te lijmen, maar ook kan gekozen worden voor een Japanse bindwijze:
of het naaien rond een klein omgevouwen deel van de vellen papier het oortje.
Het komt zelfs voor dat er nietjes dwars door de stapel papier vlak langs de rug geplaatst worden: door het plat geniet.
Wordt er echter gekozen voor een genaaid boek met zgn. katernen of een harmonicamodel, dan is een vouwschema noodzakelijk om te bepalen op welke plaats op het blad een bepaalde afbeelding moet komen (Zie voor het vouwschema de vorige).
De manier waarop het losse papier met elkaar verbonden worden heet de bindwijze.
Garenloos binden of lumback wordt gebruikt om losse vellen papier in de rug met boekbinderslijm aan elkaar te lijmen. Een bekend voorbeeld is de paperback.
Ook wordt tegenwoordig veel gebruik gemaakt van nieten, vooral bij tijdschriften.
Een genaaid boek bestaat uit gevouwen vellen papier die dwars door de vouw aan elkaar genaaid worden.
Ieder kent wel het schrift, dat met enkele draadjes met een knoop erin bij elkaar wordt gehouden. Als er sprake is van meerdere katernen worden deze met elkaar verbonden en uiteindelijk in de rug van boekbinderslijm voorzien.
De Japanse bindwijze is een variant die genaaid wordt, maar waarbij ook gebruik gemaakt kan worden van losse of dubbel gevouwen vellen papier.
Het naaien is een simpel gebeuren. Alleen het met elkaar verbinden van de verschillende katernen vraagt bijzondere aandacht. Het verlengen van een draad gebeurt met de zgn. weversknoop.
Bij de Japanse bindwijze worden de gaten meestal eerst voorgeboord of wordt het gat met een priem voor gestoken.
Ook bij gebruik van een ringband moeten gaten worden geboord.
Nadat het binnenwerk genaaid is worden de schutbladen in de rug aan het binnenwerk gelijmd, met een dunne rand lijm. De schutbladen zijn een dubbelgevouwen stevige vellen papier. Daarna wordt de rug van lijm voorzien, eventueel versterkt met gaas.
Hierna wordt het binnenwerk eventueel schoongesneden.
Nu kan een traditioneel omslag van stevig papier of karton worden gemaakt, beplakt met papier, linnen of (kunst-)leer.
De formaten van het karton is aan boven en onderzijde ca. 5 mm. groter dan het binnenwerk. De breedte is ca. 2mm. kleiner. Dit heeft te maken met de 'kneep'.
Bijvoorbeeld: schoongesneden binnenwerk is 27 x 21 cm, dan worden de kartons 27,5 x 20,8 cm. en een rug van 27,5 x de dikte van het boekje. De ruimte tussen de rug en de omslagkartons is 5 tot 7 mm. De rand linnen die boven en onder wordt omgevouwen is ca. 2 cm. breed.
Nadat het linnen met lijm is ingesmeerd, worden de kartons hierop gelegd en aan boven en onderzijde wordt het linnen omgevouwen. Alles wordt goed aangewreven en met het vouwbeen worden alle randen goed aangezet.
Het omslagpapier, bv. marmer of een druk, wordt daarna met lijm ingesmeerd en op de kartons geplakt (zie afbeelding). De hoekjes worden afgeknipt en de randen worden omgezet. De andere helft wordt op dezelfde manier behandeld.
Tot slot word het binnenwerk in het omslag geplaatst en worden de schutbladen van lijm voorzien en vastgeplakt. Goed aanwrijven en laat alles nog even drogen onder een gewicht en het boek is klaar.
|
| Papier |
![]() |
| Vouwmodel |
|
| In elkaar gestoken bladen |
|
| Inslagschema |
|
| Bladspiegel |
|
| Bladspiegel |
|
| Schoonsnijden |
|
| Inslagschema |
|
| Losse bladen |
|
| Viergatsbinding |
|
| Oortjes |
|
| Door het plat geniet |
|
| Harmonica |
![]() |
| In de rug geplakt |
|
| Schrift met cahiersteek |
|
| Dubbel gevouwen vellen |
|
| Naaien |
|
| Ringband |
|
| Omslag |
|